Trio


Erik Bogaerts - Saxophone

Nathan Wouters - Double Bass

Jesse Dockx - Drums


Kwartet


Erik Bogaerts - Alto Sax

Jeroen Van Herzeele - Tenor Sax

Brice Soniano - Double Bass

Steven Cassiers - Drums




ENG:


“Erik Bogaerts Kwartet” is a playful jazz quartet founded by alto saxophonist Erik Bogaerts (Mephiti, Les Chroniques De L’inutile). Together with tenor saxophonist Jeroen van Herzeele, bassist Brice Soniano and drummer Steven Cassiers they play music that searches the balance between serene melodies within harmonic structures and energetic expression in groove and improvisation. Interplay between the members is key and the pursuance of a joyous night for players and listeners is their guiding principle.


NL:


Het “Erik Bogaerts Kwartet” is een nieuwe formatie rond altsaxofonist Erik Bogaerts (Mephiti, les Chroniques De L’Inutile). Samen met tenor saxofonist Jeroen van Herzeele, bassist Brice Soniano en drummer Steven Cassiers spelen zij muziek die de balans zoekt tussen serene melodielijnen, harmonische structuren en energetische expressie binnen groove en improvisatie. Samenspel tussen deze vier muzikanten staat centraal in een aanhoudende zoektocht om deze muziek te delen met het publiek.




FR:


"Erik Bogaerts Kwartet" est un quartet de jazz pétillant fondé par le saxophoniste alto Erik Bogaerts. Avec le saxophoniste ténor Jeroen van Herzeele, le bassiste Brice Soniano et le batteur Steven Cassiers, il joue une musique qui recherche un équilibre entre des mélodies sereines ancrées dans des structures harmoniques d'une part, et une expression vigoureuse à travers le groove et l'improvisation de l'autre. L'interaction entre les membres est essentielle, et la poursuite d'une soirée joyeuse et animée pour les joueurs et les auditeurs constitue le fil conducteur du quartet.


Solo


Erik Bogaerts - Alto Sax


Mephiti



Erik Bogaerts - Alto Saxophone

Ruben Machtelinckx - Guitar

Indrė Jurgelevičiūtė - kanklės

Bert Cools - Guitar & Synth

Brice Soniano - Double Bass

Stijn Cools - Drums


Recording: Ted Masseurs on December 2 & 3, 2016

Mixing: Stijn Cools

Mastering: Uwe Teichert

Production: Erik Bogaerts

Executive Production: Rogé Verstraete

Artwork: Dewi De Vree & Jeroen Uyttendaele

Lay Out: Jeroen Wille & Ruud Ruttens


Available on cd & vinyl

vinyl: limited edition of 300 copies with printed innersleeve

release march 2018


all rights reserved

L L O P ( pronounce L i o p )



Saxophonist Erik Bogaerts, guitarist Benjamin Sauzereau and drummer Jens Bouttery form the band 'Llop'. This Belgian based trio plays mostly improvised song-like and ambient music. Jens Bouttery plays drums and manipulates sounds by recording the band live, treating those sounds in real time, looking for unheard textures, unpredictability. and for a challenging ground for improvisation.. The album 'Lampke' (el NEGOCITO Records 2015) was the start of a musical process.

Shortly after releasing their first Album, Llop was invited by ‘ARNA’, a Swedish organization that invites artists from all over the world to work on their specific art and to meet the local people in Harlösa. The trio invited Brice Soniano to join them, worked and recorded "in residence" for one week in an ancient church in Harlösa. ‘J,Imp’ is the result of those intense days of recording.

pers:

"EB verzamelde voor dit prachtige project een share topmuzikanten die samen een magnetiserende plaat maakten. De muziek kliunkt transparant, wat dromerig en bijna meditatief, maar toch stevig gestructureerd en gecomponeerd. De twee gitaristen spelen erg melodieus samen, en de kanklès (Lithuanian harp), past daar wonderwel bij. Dat samenspel is het meest geprononceerd in Hymne II, maar klinkt ook betoverend in opener Shilly. Het instrument creëert sfeer en een meeslepende en feeërieke begeleiding, maar ook solo klinkt het ronduit prachtig. combineer dat met de gedoseerd aangeblazen, soms krakend ademende sax en een dragende, melodieuze baslijn. EZet daaronder een drummer die het melodieuze en ritmische aspect begrijpt en aanvult en het resultaat is een reeks van 8 krachtige, lyrische stukken. Dit is gewoon beregoede muziek."

(MVdW)


"Belgian alto saxophonist Erik Bogaerts leads Mephiti, a strings-heavy band with a light touch. The strings are Ruben Machtelinckx (electric guitar), Bert Cools (acoustic/electric guitar, electric guitar, and synthesizer), Indrė Jurgelevičiūtė ( kanklės: Lithuanian plucked box zither) and Brice Soniano (double bass). Stijn Cools completes the group on drums.


"Shilly" opens the album with a pensive alto-saxophone melody over a double-bass countermelody, the string section providing a rich texture of arpeggiated chords. "Hymne I" provides immediate contrast with its sprightly rhythms and overlapping ostinato patterns—which all dissolve into a spacious call-and-response between all of the band members.


"Hymne II" is quite different from the first one; it begins with a gentle unaccompanied kanklės solo, building to a group conversation. "Lenaé" has a similar opening, but with Bert Cools taking a harp-like role on acoustic/electric guitar. "Oude steenweg" is almost a drum solo. Tom-toms open, with a spacious, slightly ominous mood; Stijn Cools adds cymbals to the mix, then finally acoustic guitar joins in for the last minute. The closer, "Kat kreupel," begins with a deliberate guitar/bass introduction, adding an atmospheric saxophone line and cymbal washes.


Like many Belgian groups, Mephiti occupies a space that combines chamber jazz, folk music and minimalism. Recent examples include Veder's Evergreen (Aspen edities, 2017) and Linus+Økland/Van Heertum/Zach's mono no aware (Aspen edities, 2017) - both of which also share Ruben Machtelinckx as a group member. Bogaerts' music has it's own lyrical melodic signature, and a unique instrumental texture."


Mark Sullivan (All about jazz)



EB's bezoek aan het Zweedse Harlösa bracht een en ander teweeg. Zo nam Llop er zijn tweede album op en deed ook de naam Mephiti al snel de ronde. Het was even wachten tot de plaat er was, maar het geduld wordt beloond met een luisterervaring die zelfs na een stevig aantal draaibeurten nog altijd een eenvoudig label ontwijkt.


Samen met gitaristen Bert Cools en Ruben Machtelinckx, bassist Brice Soniano, drummer Stijn Cools en Indrė Jurgelevičiūtė op kanklės (een verwant van de citer uit Litouwen) speelt Bogaerts nummers die helemaal passen in een golf van eigenzinnige stille muziek die zich de voorbije jaren een weg gebaand heeft naar het Belgische muzieklandschap. Zijn eigen Llop maakt daar deel van uit, net als heel wat projecten uit de granvat-koker, de muzikanten die zich verenigd hebben onder de vleugels van Aspen Edities (Machtelinckx, Niels Van Heertum …) en een figuur als Joachim Badenhorst.

Het zijn stuk voor stuk muzikanten die een opleiding genoten hebben en goed vertrouwd zijn met vele vormen van de jazz, maar die vooral de Europese variant uit het Noorden aan de borst drukken. De blues wordt terzijde geschoven en in plaats daarvan krijg je een minder aardse sensibiliteit waar voortdurend een etherische wind doorheen waait, zonder daarom te vervallen in wollig sentiment. Misschien is dat wel een van de mooiste verdiensten van deze muzikanten: met aandacht voor secuur spel, onconventioneel experiment en evenwicht hebben ze delicate, introverte muziek in ere hersteld.

Het mooie is dat het ook steeds gepaard gaat met totaalconcepten. Albums worden steevast verpakt in opvallend artwork — vaak van verwante, jonge artiesten — en dat is ook nu het geval. Het artwork van Mephiti komt van 'Ground', een audiovisuele performance van Jeroen Uyttendaele en Dewi De Vree waarbij grafiet wordt gemanipuleerd met elektronische pulsen, die op hun beurt voor geluid zorgen. Met die grillige, rudimentaire vormen, even eenvoudig als onvoorspelbaar, is het helemaal op maat van de acht stukken op de plaat, die nooit helemaal welomlijnde verwachtingen inlossen. Ze lossen plots op, introduceren onverwachte elementen, bouwen gestaag schuifelend aan frêle constructies, blijven afgeronde eindes voor zich uit duwen. Het is zoeken, spoor zoeken in real time, afgewisseld met composities die steeds in het proces van vervelling lijken te hangen.

Helemaal vooraan zorgt “Shilly” misschien nog voor een meest conventionele stuk: een wondermooi ding dat in een wereld zonder zwaartekracht lijkt rond te wentelen. Twee gitaren die zachtaardig tokkelen, eerst gezelschap krijgen van een subtiel meekleurende kanklės en vervolgens van bas en altsax. Even herinnert het — maar dan wel elke keer opnieuw — ook aan het gevoel dat je overviel toen je voor het eerst Faerge hoorde (het album dat Machtelinckx maakte met Badenhorst, Hilmar Jensson en Nathan Wouters). Het heeft die voorzichtige lyriek, die breekbaarheid, die op een of andere manier wel samengaat met een indruk van weidsheid.

Een groter contrast met het Afrikaans getinte “Hymne I” is moeilijker denkbaar. Met die beweeglijke bas, de kronkelende gitaarlijnen, het cimbalengeruis en iets dat klinkt als spacey synth-effecten, lijkt het uit een compleet andere wereld te komen, met Bogaerts’ lange saxlijnen als verbindende factor. Intussen is duidelijk dat Mephiti geen optelsom wordt van acht keer “Shilly”. “Hanneke” en “Krevelstraat” zijn groepsstukken die vervolgens meer vrij en open aanvoelen. Anders qua temperament, maar ook met verwantschappen. Is het eerste opgebouwd rond een herhaald motief van vier noten dat uitgroeit tot een speels-mysterieuze wentelbeweging waarop Bogaerts korte aanzetten plaatst, dan wordt het tweede aanvankelijk gedomineerd door een stompende puls van bas en drums, maar komt een motiefje van vier noten terug bij Soniano, die lijkt te verwijzen naar Jimmy Garrisons legendarische figuur in A Love Supreme. Het is hier echter een andere soort statigheid: iel, met metalige percussie als een miniatuurversie van klokkende koebellen.

Met “Hymne II”, dat op gang gebracht wordt door Jurgelevičiūtė, wordt in een al dan niet bestaande folktraditie gedoken, haar getokkel een combinatie van een slaaplied, een twinkelend muziekdoosje en de universiteitsbeiaard van Leuven. Wanneer gitaar en bas erbij komen, dan gebeurt dat zonder poeha, geduldig. Deze mensen nemen hun tijd, gunnen de resonanties ook wat, en dat leidt hier tot het langste stuk van de plaat. Vanaf dan worden de stokjes ook duidelijk doorgegeven. Het korte “Lenaé” is de band in bijna-popmodus, met een gracieuze dans die in ontmantelde versie zo had gepast op het eerste Linus-album. Kleine details creëren een wereld van verschil. “Oude Steenweg” komt dan als een verrassing: diepe resonanties (van bas en drums?) met een kale, minimalistische flair. Totdat naar het einde toe minzaam getokkel opduikt dat voorbereidt op slotstuk “Kat Kreupel” en dan opnieuw wordt opengetrokken zodra Bogaerts het riet tussen de lippen neemt en Stijn Cools het geruis laat aanzwellen.

Een hele hoop beschrijvingen, maar Mephiti is misschien vooral een album dat duidelijk maakt dat die pogingen om het te vatten in woorden bij voorbaat gedoemd zijn om te mislukken. Dit is muziek die met kleine hints en texturen misschien wel bepaalde parameters oproept, maar er vervolgens in slaagt om ze slinks, met een goedhartige koppigheid te omzeilen. Dat duidt, in al z’n bescheidenheid, op de intentie om een persoonlijke invulling te creëren. Een uitdaging op fluisterniveau is nog altijd een uitdaging. En in dit geval ook heel erg mooi.


Guy Peters, Enola










"Lampke»

EL negocito RECORDS ENR035




They have made a great recording with a combination of freely improvised drone music and more straight jazz, It could as well have been done in Scandinavia. This could have been done by Trygve Seim and Sinikka Langeland, because of  the lyrical saxophone and guitar playing, which may sound like a kantele.

The Swedish traditional "Fäbodpsalm Från Näckådalen" takes us far into the Swedish forests. Extremely lyrical and nice saxophone playing and fine guitar accompaniment, which almost sounds like Rune Gustavsson and Arne Domnerus translated to 2015.

In Bogaerts-composition "Ner6ens" we get more Scandinavian tones, which is much closer Dala Floda than Ghent. Here the guitarist occupies a kind of Bill Frisell attitude. Not many notes, but the notes being played are important for the whole. Fine!

The distance between Scandinavia and Belgium is not large, it is fair to note throughout this recording.


Jan Granlie, Salt Peanuts

"C'est une musique d'atmosphère, d'ambiance, belle et sereine, nostalgique comme le folklore, qui est une de ses sources. Les arabesques du saxophone et de la guitare, leur sonorité, le tapis électro-percussions peignent délicatement des morceaux inattendus et passionnants."

Jean Claude Vantroyen, Le Soir Mad p.16 (22/07/2015 ***)



"Wer bei Jazz Ungebundenes und Gebundenes sucht, wer einen Sinn für Improvisation hat und auch Free Jazz gegenüber offen ist, der wird Llop und deren Musik sehr schätzen. Bitte mehr davon!"

Ferdinand Dupuis-Panther, Jazzhalo (07/2015)


J, Imp :: (Dani Heyvaert)


Llop -het woord betekent “wolf” in het Catalaans- is een Belgisch import trio, bestaande uit saxofonist Erik Bogaerts, gitarist Benjamin Sauzereau en drummer / electronicaman Jens Bouttery. Ik hoorde een paar jaar geleden voor het eerst van het gezelschap toen een bevriende cafébaas hun CD “Lampke” had opstaan en ik eigenlijk behoorlijk onder de indruk kwam van wat ik daar hoorde.

Die CD had voor gevolg dat het trio onder meer in Scandinavië ging spelen, wat dan op zijn beurt weer leidde tot een uitnodiging vanwege ARNA, een organisatie uit het zuiden van Zweden, die muzikanten van over heel de wereld uitnodigt om “in residence” aan hun muziek te komen werken en intussen andere muzikanten te ontmoeten. Dat speelt zich allemaal af in een plaatsje dat “Harlösa” heet en het is het oude kerkje aldaar, dat deze plaat opgenomen werd, met toevoeging van de baslijnen van de Fransman Brice Soiano, die ze ter plekke ontmoetten. Helemaal “impro” dus en wat ik, na ettelijke keren luisteren, steeds meer onvoorstelbaar vind, is het vanzelfsprekend gemakt waarmee de muzikanten elkaar en hun melodie weten te vonden: op vier nummers na, is alles geïmproviseerd, lees ik in de hoesnota's en, echt waar, ik kan daar nauwelijks bij: hoe mensen dingen zo organisch, zo naturel kunnen laten klinken…daarvoor moet je echt wel op mekaar ingespeeld zijn. Of gewoon het momentum kunnen vangen…Ik wéét niet hoe ik het moet verwoorden, maar een nummer als opener “Hapii Too”, dat lijkt gewoon door en door gerepeteerd. Die zweverige, dromerige sfeer die de hele plaat lang gecreëerd wordt en bij momenten danig bruusk doorkruist wordt door elektronische klanken die als het ware over je heen gedonderd komen zonder dat je ze verwacht, zoals in “Seagal”…ik vind dat wonderlijk, temeer omdat dat perfect bij elkaar blijkt te passen.”Il Pleut” is nog zo’n pareltje, zij het wel “gecomponeerd” met z’n meertalige bijna-nonsenstekst boven een bossa-achtig ritme, waarbij de sax op de wijze van Stan Getz de Ipanema-sfeer weer op te roepen, in duet met de bas…god jongens, wat is dat toch mooi.

De titeltrack, ook een heuse compositie, is met zijn dikke 8 minuten meteen ook qua omvang, de hoofdmoot van de plaat en etaleert de veelzijdigheid van de muzikanten én van componist Bogaerts, die een heel filmisch stuk afleverde, waar je zonder al te veel moeite zelf de beelden bij kunt verzinnen. In dit nummer valt alles samen, waar Loop voor staat: sfeerschepping, met een mix van klankentapijten en “exhte” muziek die, hoewel ze vaak totaal niet beantwoordt aan wat onze oren gewoonlijk te horen krijgt, toch klinkt, alsof je ermee opgegroeid bent. Mijn persoonlijke lieveling van de plaat is, samen met afsluiter “Troupeau”, “Le Sous-entendu”, een compositie van Sauzereau, die , mede omwille van de knappe gitaarlijnen, perfect in te passen is in de Nordic import die ik sedert enige tijd geregeld te horen krijg en waar ik ook erg ben gaan van houden. Deze hele plaat kan mee met het beste wat mij uit Noord-Europa is komen aanwaaien en, wie er deze kolommen wil op nalezen, zal merken dat ik daar verdomd straf materiaal tussen gevonden heb.

Natuurlijk, bij El Negocito Records hebben ze sowieso al niet de gewoonte zich met rommel bezig te houden, maar dit is toch wel een heel straffe plaat. Wat zijn we in dit apenlandje toch verwend, als het op goeie jazz- en improvisatiemuzikanten aankomt! Kijk: dit is nu echt een plaat, die ik aan mijn wat oudere folk- en bluesminnende vrienden moet laten horen. Tot op dit moment weten ze namelijk niet wat voor fraais ze missen, als ze deze CD niet gehoord hebben. TOP !

‘Enola.be’ :: Guy Peters


J, Imp is eigenlijk al even uit, maar hebben we herontdekt tijdens een regenachtige ochtend, toen er niks anders op zat dan gekluisterd aan het raam te wachten tot het zou opklaren. Op zo’n momenten werkt de fantasierijke huiselijkheid van zo’n album het best.


Niet dat deze tweede plaat van Llop een duffe bedoening is, maar het heeft wél iets van een ongedwongen momentopname; een muzikaal schetsboek van een paar gelijkgestemde zielen die in een lichtjes benevelde waas hun hart blootleggen en hier en daar wat humor in het resultaat laten glippen. Misschien iets te bescheiden, of te veel een sound voor wie een album verwacht dat per se een statement wil maken, maar bij momenten heel erg mooi, een evenwicht zoekend tussen tijdloze wijsheid en onbevangen naïviteit.

Op J, Imp (dat iets als ‘impuls’ zou betekenen) vinden we opnieuw Erik Bogaerts, Benjamin Sauzereau en Jens Bouttery terug, figuren die de laatste jaren al opdoken in allerhande projecten in de flanken van de Belgische jazz en improvisatie: van Mephiti, Banjax en Book of Air: vvolk, tot Les Chroniques de L’Inutile en Jens Maurits Orchestra. Deze keer krijgen ze ook gezelschap van bassist Brice Soniano, die meetrok naar de kerk van Harlösa in Zweden, waar de band uitgenodigd werd door ARNA, een organisatie die kunst, mens en natuur bij elkaar wil brengen en artiesten uit de hele wereld ontvangt.

Het resultaat mag er dus zijn, want doorheen tien stukken word je bij de hand genomen voor een wandeling langs stillevens en fraaie vergezichten, waarbij de grens tussen compositie en improvisatie regelmatig vervaagt. Eenvoud, voorzichtige schoonheid, wat weemoed en een licht surreëel randje, dat ook al gesuggereerd wordt door de hoesfoto (net als op de debuutplaat een fragment van de kat genaamd Maske) en titels die de wenkbrauwen omhoog doen springen. Te beginnen met “Hapii Too”, waarin Bogaerts nog maar eens die prachtklank op altsax laat horen.

Elegant aangeblazen, met melodieuze lijnen die zo zachtaardig zijn dat je ze enkel contouren zou mogen noemen, of strelingen, omdat ze met moeite wolken wegduwen, maar wel vanzelfsprekend samengaan met het tintelende gitaarwerk, terwijl Soniano en Bouttery in de achtergrond dienen. Het is van een gaafheid en directheid die niet vaak meer zal terugkomen, maar verderop wel wat verwanten heeft, zoals “Älskling”, een compositie die bij eerste beluistering vrij aanvoelt en waarin Bogaerts pas na verloop van tijd opduikt, zachtjes flutterend op een verlegen ‘let vooral niet op mij’-toontje.

Rond en tussen die breekbare brokjes voor de ochtenddauw kan je andere geluiden opvangen. “Seagal” – bidden dat het niets met de gelijknamige ‘acteur’ te maken heeft – ontvouwt zich fijntjes tot een hypnotiserend stukje instrumentale wentelrock. Een miniatuurtje van Yo La Tengo is niet veraf, maar dan door de elektronische mangel van Bouttery gesleurd. Of “Il Pleut”, ergens op de wip tussen lichtvoetige bossa en nonsensicale chanson, wankel gezongen door die laatste. Manger guacamole. En toch werkt het.

“Kalmpjes” kreeg een passende titel, en is een stuk dat bij eerste beluistering voor je neus oplost, maar dat een knap detailspel laat horen voor wie een koptelefoon in de aanslag heeft. Er zit een aandoenlijke eerlijkheid en kleinheid in deze muziek, die iets gemeen heeft met Soniano’s duoplaten met Joachim Badenhorst, of de kwartetplaten van Ruben Machtelinckx, waar die laatste ook op te horen is. Nog van dat in het titelnummer, met gitaarwerk in de zone tussen Gary Lucas en Bill Frisell, een schimmenspel met gracieuze sax dat gaandeweg meer songallure krijgt met kringelende gitaarfiguren.

In “Washandje” vormt de koppige herhaling van Soniano’s bas de rode draad, terwijl Sauzereau “Le Sous-entendu” bijdroeg, met een strijkstok die richting kamermuziek lonkt. En tenslotte wordt de finale ingezet met “Après un long moment de mutisme, Oscar retrouve l’usage de la parole”. Een titel voor een bombastisch alle richtingen uit stuiterend knetterstuk van wijlen Fukkeduk, maar in werkelijkheid een stop/start-dingetje van amper zeventig seconden dat baan ruimt voor “Troupeau”, dat lichtjes zwalpend het licht uitdoet.

De neiging is hier groot om die stukjes allemaal apart te omschrijven, maar het mooie is dat ze dat eigenlijk niet nodig hebben en op J, Imp een even raadselachtig en organisch als afwisselend geheel vormen. Voor wie een duidelijk doel en houvast verwacht, is dit misschien wat flou of te weinig substantieel (het heeft soms ook iets van rudimentaire penseelstreken die muzikanten onderling uitwisselen), maar wie bovenvermelde artiesten een warm hart toedraagt of gewoonweg een zwak heeft voor minder evidente klanken die niet zo dringend willen scoren, haalt met J, Imp een fraai stukje verpozing in huis. Mogelijks, maar niet noodzakelijk, te consumeren vanachter een vensterraam vol grillige druppelraces.